De Amerikaanse
wet (Jones Act) verbied het om met in het buitenland gebouwde schepen
en/of onder buitenlandse vlag varende, met buitenlanders bemande schepen
in de Amerikaanse havens en wateren te laten opereren.
In de nacht van 3 op 4 juli 1975 kreeg de Smit-Lloyd directeur RW
Scheffer bericht van uit Washington DC dat de Maritieme Administratie
van de USA haar goedkeuring had verleend aan het plan dat voldoet
aan de bepalingen die voorkomen in de zogenaamde Jones Act. Dit als
eerste buitenlandse rederij.
Onmiddellijk werd via de Smit-Lloyd agent in de USA, Biehl Offshore
Inc te Houston, de opdracht gegeven aan Campbell Industries te San
Diego California om twee schepen te bouwen van de zg 100S klasse.
Ze zullen de namen Biehl Trader en Biehl Traveler gaan krijgen. Ze
zullen onder Amerikaanse vlag gaan varen met een Amerikaanse bemanning.
Ze gaan op een long term charter werken voor een consortium van olie
maatschappijen vanuit een haven in Alaska.
De bouw van de schepen zal begeleid worden door het hoofdkantoor in
Rotterdam en enkele Smit-Lloyd Hwtk's en kapiteins. De Amerikaanse
bemanningen zullen op Nederlandse Smit-Lloyd schepen geplaatst worden
om het vak te leren.
Oktober 1976.
Op de Smit-Lloyd schepen op de Noordzee worden de eerste nieuwe Amerikaanse
bemanningen geplaatst.
Als eerste groep kwamen Hwtk Arthur F Mournian (SL 110), kapitein
Charley Lane (SL 107), kapitein J Drahos (SL 105/110), Reuben Baker
(SL 107), ch. mate Dan Fuller, 2nd mate Paul Arsenault, 3th mate Steve
Schoepke, ch.eng Chuck Lowry, 2nd eng John Fursh, Bill Meachum en
Jim Thomas.
Later zouden er nog vele volgen, ook matrozen.
Hwtk W Rab en H v Rixel zijn geruime tijd in San Diego gestationeerd
geweest om de nieuwbouw te begeleiden. Kapitein
W Mooij en Hwtk W Rab (en later Appie vd Voorde) zijn voor korte tijd
gestationeerd geweest op het eerste schip van Biehl Offshore, de Biehl
Trader.
De Amerikaanse bemanning bestond uit:
Kapitein-Jim Drahos, chief mate-Dan Fuller, 2nd mate-Paul Arsenaul,
3th mate-Steve Schoepke, Ch engineer-Chuck Lowry, first engineer-Lu
Champa, 2nd engineer-John Fursh, AB Richard Mee, Richard Beck and
Bill Stevens and cook Art Stupp. Captain
Jim Drahous werd later de nautische man in Houston. Arthur Mournian
werd later als technische man op het kantoor in Houston gerplaatst.
De
Biehl Trader en Biehl Traveler zijn in grote trekken het zelfde als
de 100S schepen. De hoofdmotoren zijn van Delaval Turbine Inc. Enterprise
en hebben een vermogen van 7312 BHP.
De kleuren.
De romp is blauw en de schoorstenen zijn geel geschilderd.
Waarom niet de Smit-Lloyd kleuren overgenomen?
De romp werd blauw omdat dit de Biehl kleuren waren. De schoorstenen
wilde Sam Weeks goudkleurig hebben met een embleem er in zoals bij
United Fruit en Standard Fruit, zijn vorige maatschappij. Arthur Mournian
was het hier echter niet mee eens.
Na overleg met de (mooie) receptioniste van Campbell Industries en
de secretaresse van Lou Petrasich werd besloten dat goudkleurige schoorstenen
goed bij de blauwe romp zouden passen maar dan zonder embleem.
In overleg met International Paint werd, uit praktische overwegingen,
besloten om ze donker geel te schilderen.
De schepen zijn ontworpen voor een zeer koud klimaat en zijn dus voorzien
van een speciaal verwarmingssysteem. Ze werken vanuit Yukatat in de
Golf van Alaska.
De eerste grote taak van deze schepen betrof het verslepen van het
gigantische booreiland Sedco 706 van Alaska naar Seattle.
Het contract
dat Smit-Lloyd met Biehl had afgesloten werd later een wurgcontract
genoemd. Het kwam er op neer dat Smit-Lloyd en Biehl de winst deelden
maar dat Smit-Lloyd de verliezen voor zijn rekening nam.
31 Januari 1991 zijn ze voor 100% eigendom van Smit-Lloyd geworden.
Op 1 februari 1991 zijn ze onder de Bahama vlag gebracht en omgedoopt
in Smit-Lloyd 118 en 119. Er kwamen Nederlandse officieren en Filippijnse
gezellen aan boord.
Terug naar boven